Degenen die mij kennen, kennen me vast als een vrolijke, optimistische jongen met weinig zorgen aan zijn hoofd. Zo voel ik me ook: ik maak graag plezier, ik bekijk de wereld zoveel mogelijk door een roze bril en ben altijd opgewekt. En toch, mijn verleden is niet altijd zo rooskleurig als velen denken. Marco Borsato heeft in een van zijn liedjes een heel leuke strofe gezongen: “Ik heb een masker opgezet, en als mijn vrienden er om vragen zeg ik dat het heerlijk is alleen.” Om te voorkomen dat ik mijn eigen stukje geschiedenis constant opnieuw moet vertellen, heb ik besloten alles eens uit te schrijven.

Ik weet vrij veel over mijn eerste levensjaren, en dat allemaal dankzij de video-opnames van mijn grootouders. Elke verjaardag (met uitzondering van 2), elke kerst en nieuwjaar en alle andere belangrijke gebeurtenissen uit mijn leven zijn op video vastgelegd. Op die manier gaan die prachtige momenten nooit meer verloren. Momenteel ben ik bezig alle opnames op dvd over te zetten, dus alles ligt nog vrij vers in het geheugen.

Op 24 juli 1987, rond een uur of 10 ’s avonds, zag ik voor de eerste keer de buitenwereld vanuit het ziekenhuis Maria Middelares in Gent. Mijn ouders waren gelukkig met mij, tenminste dat beweerden ze toch… De eerste dagen verliep alles zoals het hoorde, maar na een drietal weken was mijn moeder moe van elke nacht te moeten opstaan voor mij en werd ik op logement gestuurd bij mijn grootouders. Zij moesten maar voor mij zorgen en ’s nachts opstaan als ik honger had en mijn moeder kon uitslapen (wat een moederliefde was dat toen al…).

Al van jongs af aan ben ik een verwend nestje. Mijn ouders waren nogal streng voor mij en mijn grootouders verwenden mij zoveel te maar konden. Niets had ik te kort: ik had hopen speelgoed, hopen kleren en een speelkameraad die altijd in de buurt was (mijn grootvader). En eigenlijk moet ik die mens erg benijden: niet tegenstaande er geen enkele bloedverwantschap is tussen ons beiden (mijn ‘echte’ grootvader heeft in 1968 zelfmoord gepleegd) is mijn grootvader (mijn pépé, die ik al heel mijn leven heb gekend, tevens mijn dooppeter) er altijd voor mij geweest en dag en nacht met mij gespeeld en geravot, met of tegen zijn goesting. Tenslotte gingen mijn beide ouders overdag werken en was ik die tijd dus bij mijn grootouders, enkel ’s avonds en ’s nachts was ik ‘thuis’ bij mijn vader en mijn moeder.

Toen ik oud genoeg was om naar school te gaan, begon de miserie. Eens ik huiswerk kreeg moest ik zien dat alles voor school gedaan was tegen dat ik naar mijn ouders moest (rond half zes ’s avonds kwam mijn moeder mij altijd halen). Op die manier hoefde ik ‘thuis’ niets meer te doen, en dus hoefden mijn ouders zich niet meer met mij bezig houden voor het maken van huiswerk of om het even welke andere opdrachten die ik van school uit meekreeg naar huis. Naarmate ik meer en meer huiswerk kreeg werd het onmogelijk om er mee klaar te raken tegen de tijd dat ik met mijn moeder mee moest naar huis, en mijn ouders waren er nooit echt mee gediend toen ik hen om hulp vroeg als ik iets niet snapte. Ik herinner mij zo nog een avond waarop ik oefeningen moest maken op staartrekenen. Ik kon het nog niet zo goed, maar bij elke fout die ik maakte kreeg ik vijf nieuwe opgaven om uit te rekenen, en zo was ik er tot een heel eind in de avond mee bezig en was ik zelfs aan het huilen omdat ik maar niet klaar raakte met mijn oefeningen (was ik toen maar opstandiger geweest…).

Ook moest ik op school presteren vooraleer ik iets kreeg. Zo bijvoorbeeld werd mij een stereo-installatie beloofd als ik 80% haalde. Na een paar maanden een kleine 80% te hebben gehaald had ik eindelijk de vereiste 80% (ik geloof zelfs dat ik toen 87% heb gehaald) en wonder boven wonder hebben ze hun woord gehouden en hebben ze mij een stereo-installatie gekocht. Ze moest wel in de woonkamer blijven staan en mocht ze niet naar mijn kamer verhuizen, dus echt van mij was ze niet.

Toen er aan tafel Frans werd gesproken – toen kon ik zelf nog geen Frans, en dus verstond ik er geen jota van – wist ik dat er dingen moesten gezegd worden die niet voor mijn oren bestemd waren. Na een tijd had ik door dat er hevige discussies werden gevoerd in het Frans en niet lang daarna kreeg ik het voorgevoel dat er een echtscheiding in het verschiet lag. En mijn voorgevoel kwam enige tijd later uit. Ik weet niet hoe, en nog minder waarom, maar op de een of andere manier heb ik een soort gave om situaties in te schatten en te voorspellen wat er gebeuren gaat. Of dit een voordeel is, weet ik niet. Ik veronderstel dat dit in sommige situaties zo zijn voordelen heeft, maar in andere ongetwijfeld nadelig is.

In de grote vakantie van het jaar dat ik afstudeerde aan de lagere school en mijn studies zou gaan vervolgen aan het Don Bosco College in Zwijnaarde werd de echtscheidingsprocedure ingezet. Tijdens de hele periode van de echtscheiding logeerde ik ononderbroken bij mijn grootouders, en achteraf ben ik nooit meer helemaal teruggekeerd naar huis. De situatie was veranderd, maar ook ik was wijzer geworden en besefte dat ik daar nooit gelukkig zou kunnen worden. Mijn moeder kreeg het hoederecht over mij en er werd onderling overeengekomen dat ik de woensdag- en vrijdagavond (en soms de zaterdagvoormiddag) bij mijn moeder ging en eens om de veertien dagen een zondag bij mijn vader zou gaan, die bij zijn vriendin was ingetrokken, die toen in Aalter woonde.

Die overeenkomst verliep vlot, hoewel ik het van tijd tot tijd erg vervelend vond dat ik constant van hier naar daar moest ‘verhuizen’. Na een tijd kreeg ik van mijn moeder elke keer rekeningen mee naar mijn vader, maar hij wilde die niet betalen en kreeg ze weer mee naar huis met als commentaar dat hij die niet betaalt en dat mijn moeder die zelf maar moest betalen. Ze weet wel waarom hij die rekeningen niet betaalt. De reden waarom kwam ik pas een paar jaar later te weten. Mijn ouders hadden kasbons staan die een paar maanden na de echtscheiding zouden vrijkomen, en het zou dus zonde geweest zijn om die te moeten verkopen en zo een groot deel van de interest kwijt zijn. Ze kwamen overeen dat ze zouden wachten, maar mijn moeder heeft mijn vader een document laten ondertekenen waarin stond dat financieel alles geregeld was (en mijn vader dus kon fluiten naar zijn deel van de kasbons).

Toen mijn vader verhuisde naar een “sleutel-op-de-deur huis” in Eeklo, werd daar een eigen slaapkamer voor mij ingericht, maar boven ben ik niet veel geweest. Eén keer ben ik daar geweest, de eerste keer ik bij hem ging in het nieuwe huis, sindsdien niet meer. Mijn slaapkamer was voorzien van een zonnebank (voor Carine – zijn vriendin dus) en mijn bed stond afgeladen vol met knuffels van haar, veel plaats voor mij was er dus niet…

De stress werd mij na een drietal jaar heen en weer ‘getsjol’ te veel, en zo ben ik op een zomermorgen gewoon flauwgevallen. Als je goed kijkt, kun je er nog sporen van zien: er was een stukje van mijn snijtand afgebroken, maar de tandarts heeft die heel mooi kunnen herstellen zodat er bijna niets van te zien is. Ik besloot om een tijdje niet meer naar mijn vader te gaan, en toen ik hem dit telefoneerde, kreeg ik een reactie die ik nooit zou verwacht hebben: “Het Is goed jongen, je moet al niet meer komen. Ik doe wel verder met mijn andere twee zoons.” Het was schrijnend zoiets te moeten horen van je eigen vader, wetende dat ik zijn enige zoon ben. De twee zonen waar hij naar verwees, waren kinderen van zijn vriendin. Maar goed, hij zei dat ik niet meer bij hem moest gaan en dus heb ik die raad opgevolgd. Sindsdien heb ik hem nooit meer gezien om eerlijk te zijn.

Omdat ik een lichte vorm van astma had, zaten mijn grootouders met mij zoveel mogelijk aan de kust, omdat jodium goed is voor astmapatiënten. Die vakanties aan zee kostten mijn grootouders uiteraard een fortuin, maar ze deden het met plezier. Mijn ouders legden van tijd tot tijd eens een deel bij, maar toen ik brak met mijn vader wou hij dus niet meer bijleggen, en ook mijn moeder begon moeilijk te doen. Ze zou mij nog liever in het zeepreventorium in De Haan dumpen dan dat ze één cent zou moeten bijleggen voor mij (het zeepreventorium is op kosten van het OCMW, dus dat zou ze met alle plezier gedaan hebben voor mij). Van alle mensen zou zij het minst moeten weigeren om bij te leggen voor de vakanties aan zee, aangezien zij elke maand alimentatiegeld kreeg van mijn vader (voor mij) en elke maand nog eens kinderbijslag kreeg ook, terwijl ze mij eigenlijk maar twee avonden in de week ten laste had (en dan had ik ’s avonds al gegeten bij mijn grootouders, en ’s morgen at ik weer bij mijn grootouders, dus ze had enkel wat drinken van doen voor mij).

Mijn moeder kwam elke avond na haar werk nog eens even binnen om mij te helpen met Frans en engels, maar na een tijd was de situatie zo ver gevorderd dat we elke avond binnen het kwartier kletterende ruzie kregen, ze mij uitmaakte voor aap, snotneus en nog een heleboel van die zondagsnamen en ze haar iedere keer weer oppakte en vertrok. Zo ging de tijd vooruit, dag na dag, week na week, maand na maand. Op een gegeven moment had mijn moeder haar zoveelste vriend, Guido (a.k.a. de gezinstichter), maar die had stalkneigingen toen mijn moeder ook hem dumpte. Ik besloot niet meer naar huis te gaan omdat het daar toch niet meer veilig was met Guido die daar nog regelmatig voorbij kwam…

Toen ik kleren nodig had, kochten mijn grootouders mij die. Mijn eerste en plechtige communie werden volledig door mijn grootouders gefinancierd. Mijn vader en moeder werden gekleed door het werk van mijn moeder (Bouvy op de Samdam in Gent) en ik had geen kleren. ‘Meet en Peet zullen u wel kleden”, kreeg ik als antwoord.

Mijn grootouders werden die situatie kotsbeu, en hebben mijn moeder voorgesteld de kosten die zij maakten voor mij te vergoeden aangezien ze niet meer wou bijleggen voor de zee. Toen ook dat werd geweigerd, was het hek helemaal van de dam. Mijn grootouders hebben mijn moeder voor de vrederechter gesleept, en daar ben ik toegewezen aan mijn grootouders met de woorden van mijn moeders advocaat: “En wat die domicilie betreft, ge moogt hem hebben.” Mijn domicilie werd aldus overgedragen, en ook moest mijn moeder de alimentatie van mijn vader doorstorten en zelf ook een alimentatie betalen. De kinderbijslag was ze ook kwijt, en kwam vanaf toen van de kas van mijn grootvader. Mijn eikenhouten slaapkamer, mijn stereo-installatie en al mijn andere persoonlijke spullen zijn verhuisd van bij mijn moeder naar mijn grootouders.

De jaren verstreken, en in de zomer van 2005 werd ik 18. In datzelfde jaar was ik afgestudeerd aan de middelbare school en zou ik gaan verder studeren. Mijn ouders betaalden elke maand nog even veel alimentatie als toen ik 12 jaar was, met moeite kwam de indexaanpassing er bij… Ik besloot dus zelf naar mijn advocaat te stappen en die zomer heb ik mijn eigen ouders een proces aangedaan. Van 1 augustus 2005 tot en met 24 april 2006 heb ik een leuk spelletje touwtje trek gespeeld met mijn ouders. Verwijten werden met volle kracht in onze richting gekatapulteerd (en dan vooral richting mijn grootouders: zij zouden mij hebben opgezet tegen mijn eigen ouders en nog zo al van die dingen), argumenten werden verworpen (maar dan vooral die van hen werden zonder al te veel moeite weerlegd), etc.

Uiteindelijk besliste de vrederechter dat een persoonlijke verschijning noodzakelijk was en dat de partijen met elkaar moesten worden geconfronteerd. Dit gebeurde op 11 april 2006. Toen ik aankwam zaten er twee personen achter de deur aan een tafel te werken, ik zette mij op een stoel zodat ik niet naar mijn ouders moest kijken die er al alle twee waren, maar mijn vader kwam naar mij toe en presenteerde mij een hand “kan er nog een hand van af voor uwen ouwen?”, vroeg hij. En heel beheerst diende ik hem van een antwoord: “Nee, niet na alles wat er is gebeurd. Ge hebt uw eigen graf gegraven, nu moogt ge met de gevolgen ervan leren leven.” Achteraf bleek dat de twee personen die achter de deur zaten zijn advocaten waren, opgezet spel dus. Nu ja, ik werd door de vrederechter in het gelijk gesteld en mijn ouders moesten me elk een grotere som alimentatie betalen dan dat ze tot dan toe hadden gedaan.

Meteen was dat de laatste keer dat ik mijn ouders heb gezien. Enfin, ouders… Het zijn de twee mensen die mij op de wereld gezet hebben, verder hebben ze voor mij geen betekenis meer. Wetende dat ik enkel op de wereld ben gezet omdat mijn moeder 4 jaar lang met een andere man in huis zat toen mijn vader uit werken was, en toen dat aan het licht kwam mijn ouders dachten dat die miserie met een kind zou zijn opgelost, weet ik dat ik van mijn “ouders” niet veel hoefde te verwachten.